Cultuur // Posted on 19 January 2010 by Peter Aspeslagh
Het was al twaalf jaar geleden, maar ik ben er vanavond nog eens langs geweest: het autosalon. Nocturnes maken het mogelijk om de zaterdags- en zondagsoverrompelingen te vermijden, maar toch kon je er ook op een ordinaire maandagavond over de koppen lopen. Het is en blijft een evergreen. We zouden het geweten hebben.
Tien euro kost een entreeticket tegenwoordig en dat is in vergelijking met andere grote evenementen een redelijk goedkoop uitje. Wie erg geïnteresseerd is in de tentoongestelde materie kan er een goede halve dag door de Heizelpaleizen dwalen. Alle hoofdrolspelers op de automarkt zijn ruimschoots aanwezig: creatieve Fransen, degelijke Duitsers, charismatische Italianen en pientere Japanners, maar ook pompeuze Amerikanen, plastieken concerns uit het verre oosten en de toenemende horde B-merken van de grote Europese constructeurs. Leken zien door het bos de bomen niet meer. Voor experts wordt het moeilijk om hun encyclopedische kennis op peil te houden. Anderen, die de encyclopedie voor het internet hebben ingeruild, zijn al blij als ze hier en daar nog wat weten welk model nu écht wel de moeite waard is. Gewone stervelingen dromen, de meer dan gemiddeld gegoede medemensen kopen. Anderen willen vooral gezien worden. Het geeft een kick om toegelaten te worden tot de Ferrari-stand en plaats te mogen nemen in de nieuwe 458 Italia. Ze zijn er op voorbereid: gel in het haar, sjaaltje onder de kraag, een hippe vest én de Rolex om de pols. Enig leedvermaak met een hongerige kudde autofreaks zonder aangepast budget of juiste achternaam die achter hekkens vechten om een foto te nemen is hen niet vreemd. Ach, wie zijn wij om hen hun moment de gloire te misgunnen. Papa’s geldbeugel staat, wie weet, misschien toch niet zo wijd open als de jongeman in kwestie denkt. Ook wij voelen de crisis, meneer!
Door dat bewuste dipje oogt het dit jaar dan ook wat minder dan anders. Extravagante stands zijn achterwege gelaten. Geen Las Vegas in Brussel. Tot mijn grote ontgoocheling ook weinig racewagens, waar men anders toch zo fier op is. Ik was al blij dat de Peugeot 908, die vorig jaar de 24h van Le Mans won, bij de Franse vrienden was tentoongesteld. Zelfs mijn geliefde Renault bracht de R29 niet mee naar Brussel, maar de prestaties van de bolide in 2009 waren ook niet meteen om over naar huis te schrijven. Dergelijke auto’s maakten het Brusselse autosalon voor mij als tiener altijd zo leuk: de wagens waar ik een gans jaar voor supporterde stonden in de winter gewoon voor mijn neus. Live. Senna’s McLaren-Honda, Prost’s Williams-Renault, Schumacher’s Benetton-Renault: stuk voor stuk legendarische tuigen die de revue passeerden. De instrumenten van mijn helden. Racewagens waren natuurlijk maar bijzaak, maar het was dat stukje extra dat mooi meegenomen was.
Commerciële motieven prevaleren natuurlijk al lang op de trots om een arsenaal aan statussymbolen te demonstreren. Toch blijft het autosalon voornamelijk een plaats waar gedroomd kan worden. Het is zo mooi om al die mensen te zien die met veel respect voor de wagen enigszins onzeker plaatsnemen achter het stuur. Niet om te rijden, uiteraard, maar om te weten te komen hoe een BMW 7-reeks of een Mercedes E-klasse nu écht voelt. Of je de beloofde ruimte in een monovolume wel degelijk krijgt. Wat de achterbank van een coupé voorstelt. Ooit, heel misschien, rijden we zelf met die wagen. Wie weet. Tien euro voor een dagje dromen: er bestaan ergere drugs…