Monaco 2009 // Posted on 21 May 2009 by Peter Aspeslagh
We beginnen aan een nieuwe kruistocht naar de zuiderburen, maar van een calvarieweg zal er geen sprake zijn, want er liggen weer heel wat interessante zaken op ons te wachten. We zullen in het Zuiden op een gezapig tempo enkele leuke plekken inspecteren in wat uiteindelijk moet culmineren met een bezoek aan de Grand Prix F1 van Monaco. Inderdaad, de Grand Prix van Monaco. Enkele weken geleden treurde ik nog zo dat ik geen enkele van mijn 50 autosportevenementen had bezocht. Daar komt nu verandering in. Meteen wordt het meest prestigieuze aller evenementen aangedaan.
Ave-et-Auffe
Je moet van het momentum profiteren. Ondanks een uur lang oponthoud in het schitterende Naamse Ave-et-Auffe zit de drive er in en rijden we op woensdagavond – om 17u30 lokale tijd verlieten we Leuven – dan ook tot een stuk in de nacht door. Half werk is geen werk, dus besluiten we om pas halt te houden als we de zilte zeelucht opsnuiven. Zo gezegd, zo gedaan: donderdagochtend om 4u30 stonden we in Marseille een frisse neus te halen. Het uur slaap in de wagen nadien was nét iets te weinig om de dag zonder geeuwbuien door te komen. Om zes uur stonden we al weer op het strand van de Zuid-Franse metropool van de opkomende zon te genieten. Leuven lag wel degelijk ver achter ons.
Aix-en-Provence
We hadden Marseille eind 2008 al bezocht. Vandaag verleggen we onze aandacht naar het achterland. Het mooie Aix-en-Provence wachtte ons met een Frans ontbijt op, want dat hadden we na onze helletocht toch wel verdiend. Aix is, naast haar historisch centrum, ook een belangrijke studentenstad. Hier slijten zo’n dertigduizend studenten hun dagen. Als je dit decor vergelijkt met dat van de hoofdstad van Vlaams-Brabant begin je toch wat te watertanden. Bovendien heeft de universiteit van Aix een lange traditie en is ze zelfs nog zestien jaar ouder dan onze Alma Mater. Was ik niet beter hier komen studeren?
Dit is de Provence. Wij zijn onder de indruk van de Cours Mirabeau, de centrale avenue die getooid is in rijen platanen, maar ook die ligt er vandaag duidelijk rustig bij. Het is dan ook nog vroeg. De marktjes worden opgesteld, want vandaag is het Hemelvaartdag en dan komt er steeds wat meer volk op de stad af. Je kan er zowat alles krijgen: van Herbes de Provence over artisanale honing tot de typische cervelaatworst van de streek. Onderweg ziet een ijverige Française dat we wat de weg in het kluwen van straatjes aan het zoeken zijn en ze wijst ons meteen de juiste richting. Het Belfort, monsieur, dat moet u gezien hebben, evenals de Cathédrale Saint Sauveur. We branden een kaars voor de devote vrouw; haar Hemelvaartdag kan niet meer stuk.
Arles
De Provence lijkt klein maar langs de Routes Nationales duurt alles toch nog wel een tijdje. Om van Aix-en-Provence naar Arles te gaan moet je een eindje langs de Camargue rijden om je vervolgens in de Romeinse stad vast te rijden. Inderdaad: wagens zijn in het historische centrum toegelaten, maar dat is dan op eigen risico. De straatjes zijn zo nauw dat je toch over wat stuurmanskunst dient te beschikken als je vandaag niet naar de carrossier wenst te gaan. Ouch… We hadden toch beter tweemaal nagedacht vooraleer de stad in te rijden. Dit is gekkenwerk.
Het amphitheater en de arena zijn de duidelijkste getuigen van de Romeinse aanwezigheid. De dingen doen nog steeds dienst, want binnen anderhalve week worden stierengevechten in de arena georganiseerd. Voor de rest maakt Arles – waar ook Vincent Van Gogh omnipresent is – een slordige, ja zelfs vuile indruk. De wegen zijn slecht onderhouden en ook heel wat huizen kunnen wat opkalefatering ten zeerste gebruiken. Het contrast met Aix-en-Provence is opvallend. Een groot gezin onderhouden kost veel geld, want Arles is met zijn meer dan 750 vierkante kilometer in oppervlakte de grootste gemeente van Frankrijk, maar daar zit de uitgestrekte Camargue voor een deel tussen.
Verplichte kost
In deze streek behoort zowat alles tot de Europese cultuurhistorische canon. Je begaat dus een pekelzonde als je voorbijrijdt aan de Pont du Gard zonder eventjes te stoppen. Om Nîmes van water te voorzien voelden de Romeinen zich in de eerste eeuw na Christus genoodzaakt om een aquaduct te bouwen, waarbij de vloeistof uit een bron nabij Uzès tot in de stad werd getransporteerd. Hiervoor moest, over een afstand van 50 kilometer, nauwelijks een hoogteverschil van 11 meter worden overwonnen. Dit resulteerde in een verval van 23 centimeter per kilometer, maar toch vloeide het water mooi van boven naar beneden. Jammer genoeg is het grootste deel van het aquaduct verloren gegaan; over de andere overblijfselen kunt u hier meer lezen.
Op weg naar Nîmes konden we niets anders dan eventjes een kijkje te nemen bij het autocircuit van Lédenon. Heel wat Franse helden, zoals Alain Prost en Jean Alesi, hebben hier hun eerste stapjes op de piste gezet. Die ligt dan wel helemaal op de top van een berg. Er kwamen nogal wat paarden aan te pas om ons bovenaan te krijgen en daar wachtte, zoals wel meer gebeurt, een gesloten deur. Afgehuurd. Je komt er niet in.
Nîmes
Het contrast tussen Arles en Nîmes kan niet groter zijn. Na een slordig provinciestadje komen we in een volwassen centrumstad terecht. Nîmes moet u voornamelijk kennen van het Maison Carré, één van de best bewaarde Romeinse tempels. Net als in Arles heeft ook hier een gigantische arena de tand des tijds doorstaan. En wat voor één. In deze arena, geïnspireerd op het Colosseum, konden niet minder dan 24.000 mensen plaatsnemen. Ook nu nog wordt het voor stierengevechten en concerten gebruikt. Schitterend hoe erfgoed een blijvende bestemming krijgt.
Van meer recente datum is het Carré d’Art, recht tegenover het Maison Carré, dat als museum voor hedendaagse kunst heel wat actueel waardevol werk huisvest. Het contrast met de oude tempel kan niet groter zijn, maar men is er in Nîmes in geslaagd om een mooi evenwicht tussen antiek en modern te vinden. Het hoeft geen betoog dat de koffie op het dak van het Carré d’Art een echte opkikker was, want de vermoeidheid begon ondertussen te wegen. Bovendien was het een ideaal moment om met de MacBook eventjes de wereld te verkennen, want zoals op zoveel plaatsen in Frankrijk was hier gratis Wifi beschikbaar. Skypen van recht tegenover het Maison Carré in Nîmes: het blijft een koud kunstje.
De mergpijpen van Montpellier
De laatste halte van de dag was in zicht. In Montpellier gingen we onze tenten opslaan. Het was allemaal wat verwarrend aan het worden. Sonja, onze GPS, had het duidelijk niet op het moderne deel van de Zuid-Franse stad en deed dan ook niets liever dan ons toertjes te laten rijden. Toegegeven: men slaagt er in Montpellier in om het verkeer snel uit de stad te leiden, maar wee uw gebeente als u nog eens moet terugkeren of een foute weg hebt gekozen.
Daar stopt echter mijn kritiek op Montpellier, want het is een schitterend oord om uw vakantie door te brengen. Op een zachte mei-avond zaten alle terrasjes op de mooie pleintjes overvol en werd zoals overal in Frankrijk met plezier gegeten en gedronken. Bovendien was ik aardig verrast van het extra object dat men mij bij een stuk rundsvlees aanbood: een mergpijp. Herinnert u zich de pre-Creutzfeld-Jacob-periode nog? Toen was het nog koosjer om soepvlees met een mergpijp te bestellen. Het gaf uw soep een extra aroma, maar de BSE-gekte zorgde ervoor dat het over en uit was met de mergpijpen. Deze zouden immers sterk vatbaar voor het virus zijn. In Montpellier heeft men deze vrees al lang van tafel geveegd en blijft men met plezier mergpijpen serveren. Okee, écht gezond zal het wellicht niet zijn, maar dat vergeten we voor één keer. Nooit gedacht dat ik nog zo lyrisch over mergpijpen ging badineren. Daarvoor moet je in Montpellier zijn!