Peru 2007 // Posted on 24 April 2007 by Peter Aspeslagh
Het was vroeg dag. Om half acht zaten we al op het vliegtuig van Cusco naar Lima. De goden waren mij gunstig gezind, want ei zo na was een horde Japanners in de luchthaven van Lima met mijn bagage gaan lopen. Een aantal tassen hadden immers hetzelfde merkteken als de mijne; een ijverige bediende legde hem dan ook keurig op het karretje van de Japanners. Vliegensvlug heb ik het kleinood kunnen redden, zoniet ging ik nog snel een aantal Limeense boetieken moeten opzoeken. Niet getreurd, want een uurtje later vertrokken we uit de hoofdstad voor een zeven uur durende rit naar San Ramon in de jungle. Jawel, de jungle. Ook hier gingen we een en ander bekijken.
Aan de luchthaven van Lima was het een blij weerzien met Luciano, onze chauffeur voor de bezoeken aan Lima en omstreken. Hij ging ons de laatste dagen van de reis begeleiden. Een sympathieke kerel. Het beloofde een lange trip te worden: tweehonderd kilometer over bergen en dalen. We gingen tijdens één tocht de drie geologische lagen van Peru doorkruisen: de woestijn, de Andes en de jungle.
Bij het buitenrijden van Lima kwamen we in het drukke verkeer terecht. We zagen een hond op een kar met cementzakken. Hij moest de lading bewaken, want op elk kruispunt bestaat het risico dat een en ander gewoon van de kar wordt gehaald. Elders zagen we dat kinderen die taak uitoefenden…
De tocht was bijzonder lang. Vooral de beklimming van de Ticliopas, één van de hoogste van Peru, duurde een tijdje. We stegen immers van zeeniveau naar meer dan 4800m. Zo hoog als de Mont Blanc dus. Ticlio was het dak van onze reis. Het was er bijzonder koud. “Traag wandelen, Peter, traag wandelen…”, was de goede raad van onze gids Marc. De ijle lucht op de bergpas sneed je letterlijk de adem af. Nooit gedacht dat dit zo te voelen zou zijn.
Niet alleen de pas was indrukwekkend, ook het hoogplateau dat we vervolgens aandeden. We zagen een groot meer en reden lange tijd langs de hoogste spoorweg ter wereld. Althans de hoogste tot men in China een verbinding met Tibet aanlegde. De spoorlijn verbindt een gebied van zware industrie met Lima. Ze is echter underused, zoals de Britten dat zeggen. Er rijden slechts twee treinen per dag op de lijn. Vreemd, want het zou een enorm arsenaal aan vrachtwagens kunnen vervangen. Die rijden dagelijks op en af de Ticliopas. Dat dit heel vaak tot gevaarlijke toestanden leidt (onverantwoord rijgedrag, vermoeidheid, oud materieel etc.) hoeft geen betoog. Zo is deze transportader verantwoordelijk voor alle vervoer van groenten en fruit vanuit de streek van San Ramon, La Merced of Tarma richting Lima. Waarom kunnen die dingen niet op een trein worden geladen? Er ligt een spoorweg. Dit is in dit land een algemeen fenomeen, want de trein wordt in Peru nauwelijks gebruikt. Toen de vrachtwagen in opmars kwam brak men veel bestaande spoorlijnen op. Ook het personenvervoer viel haast compleet weg. Jammer, want men zit in Peru, en in het bijzonder in Lima, met een gigantisch mobiliteitsprobleem. Gigantisch is in deze geen overdrijving.
Iets verderop passeren we in La Oroya. Het stadje heeft ook een record op haar naam staan, met name dat van meest vervuilde stad ter wereld. Meer nog dan Tsjernobyl en dat wil toch iets zeggen. Op het eerste zicht was er weinig te merken, zij het dat de loodwinning de plaats enorm heeft besmeurd. Opnieuw met alle gevolgen van dien.
Na La Oroya gaat het bergafwaarts naar Tarma, de bloemenhoofdstad van Peru, bekend om haar gladiolen (mocht u dat interesseren). Meteen waren we aan de grens van de jungle. Nadat we nog de restanten van een recente modderlawine zagen kwamen we uiteindelijk in San Ramon aan. OK, het was maar het begin van de jungle, maar het was toch de jungle. In onze lodge waren de ramen vervangen door gaas, waardoor we des nachts alle dierlijke geluiden konden waarnemen. Naast krekels hoorden we ander obscuur gesis en gekraai. Een unieke ervaring. Je moet het eens meegemaakt hebben…