Peru 2007 // Posted on 25 April 2007 by Peter Aspeslagh
Onze nacht in de lodge was niet zo lang, want ‘s morgens waren we al weer op pad. Dit keer bracht Luciano ons naar een ananaskwekerij, waarvan de schoonbroer van gids Marc beheerder was. Als ingenieur wist hij ons veel te vertellen over de teelt van ananas. Zo bleek dat ‘onze’ ananas van heel ander allooi is dan diegene die door de Peruvianen worden gegeten. De onze is heel wat groter en minder geel dan de ‘golden’ ananas. Dit kleinere exemplaar is enkel voor de inlandse markt bestemd, maar, zo bevestigden mijn ananasetende medereizigers, stukken sappiger en beter dan de vruchten die wij hier verorberen.
Het duurt zowat achttien maanden om een ananasplant te kweken. Men is er continu bezig met te zaaien en te oogsten, aangezien de verschillende percelen in een andere cyclus zitten. De velden liggen nooit braak. Vanuit San Ramon wordt het gros van de opbrengst naar Lima getransporteerd. Dit konden we later met eigen ogen vaststellen, aangezien nogal wat vrachtwagens op de beruchte weg over de Ticliopas ananassen transporteerden.
Meteen kwamen we ook te weten dat heel wat cocatelende boeren er over nadenken om naar ananas over te schakelen. Zoals u weet is de cocaplant bij ons – en bij uitbreiding de ganse wereld uitgezonderd Peru, Ecuador en Colombia – verboden. Export is dus nauwelijks mogelijk. Raar, want coca is op zich geen drug. Integendeel, we hebben in Peru vaak cocathee gedronken zonder maar één seconde te hallucineren. Het wordt pas schadelijk als men er een kalkachtige stof aan toevoegt, zo heb ik me laten vertellen (specialisten: corrigeer me waar nodig!). De buitenwereld neemt echter het zekere voor het onzekere. Zo werd ons absoluut afgeraden om een pakje cocathee voor het thuisfront mee te nemen; in Zaventem wordt u hiervoor gegarandeerd in de boeien geslagen. In Peru is het een normale drank.
Een verfrissende regenbui kon niet beletten dat het snikheet werd toen we naar onze tweede bestemming van de dag vertrokken. We hadden contact opgenomen met een koffiecoöperatieve die wat dieper in de jungle actief was. Ze verkochten hun waren aan een aantal fair trade-merken. Of beter: enkele koffiemerken die toch op zijn minst gedeeltelijk een goed geweten wensten te hebben. Er was een ganse waslijst aan voorwaarden aan deze eerlijke handel gekoppeld. Iedereen die aandeelhouder van de coöperatieve wenste te worden moest aan een trits duidelijke criteria voldoen. Een verbod op kinderarbeid was in deze een breekpunt.
De plantage was een uurtje rijden van de dichtstbijzijnde hoofdweg. Via een nauw en slijkerig landwegje flaneerden we aan een gezapig tempo door de jungle. We gaven onze ogen lustig de kost; overal bananenbomen, vlinders, exotische bomen en vogels etc. De moeite dus. Na een tijdje arriveerden we aan een nederzetting, waar enkel mensen woonden die in de koffieproductie actief waren. We werden naar een kleine fabriek gebracht waar men de koffie na oogst selecteerde, waste en droogde. Een interessant productieproces, ware het niet dat we door de hitte een stuk minder lucide waren. Man, wat was het daar warm…
De terugrit was zowaar nog interessanter. We stonden enkele keren stil bij koffiestruiken om wat kiekjes te maken. Toen we wat verder reden werd in de bus plots een kreet geslaakt: “een slang!!!”. Inderdaad, een roekeloze witgroene slang slaagde er in om voor ons busje de weg over te steken. Ons bezoek aan de jungle was nu compleet.
Op de terugweg naar San Ramon bezochten we nog een fabriekshal waar de volgende stappen in het productieproces van de koffie werden gezet. De CEO en de “administratór” van de coöperatie waren bereid om ons hierbij te vergezellen. Veel vriendelijke woorden werden uitgewisseld. De hitte had ondertussen veel van onze krachten gevergd; bovendien hadden we grote honger, zodat we moe maar voldaan aankwamen in een eenvoudig maar degelijk San Ramonees restaurant. Het was meer dan nodig…