Dag 03 // Lake Mead – Grand Canyon National Park
Op de campings in National Parks, National Recreation Areas of State Parks leef je volgens het ritme van de natuur. In de meeste gevallen zijn de courante sanitaire voorzieningen in orde, maar meer dan dat is het niet. Er zijn geen kroegen waar je tot in het holst van de nacht Bud’s kan drinken. Uitgaan in een stadje is al helemaal ondenkbaar omdat de kampeerplaatsen doorgaans ver van de bewoonde wereld liggen. Terug naar Vegas trippelen was geen optie. Wat valt er zonder licht of kaars in het donker dan nog te doen? Niets, behalve te slapen. We zaten dus al om acht uur in ons bed, met als resultaat dat we bij de eerste zonnestralen klaarwakker waren. Om half zeven lag Lake Mead al uitnodigend op ons te wachten. Een voetbadje kan toch zo deugddoend zijn. Een grote eer voor een stuwmeer.
Het eerste echte Nationale Park dat we zouden aandoen, de Grand Canyon, kan je op verschillende manieren benaderen. In de Grand Canyon West heb je de nieuwe Skywalk, waar je voorwaar op een glazen platform over de canyon kan wandelen. De North Rim laat je toe om het geheel zuidwaarts te bekijken, maar wij kozen ervoor om de meer uitgebouwde South Rim aan te doen. Die keuze moet je al in Vegas maken, want er zijn geen wegen die de canyon doorkruisen. Hoogstens enkele paden om te voet over te steken, maar echt aangewezen is dit voor onervaren hikers niet. Van tijd tot tijd komen wandelaars om van de dorst. Het is nog iets te vroeg om het tijdelijke met het eeuwige te wisselen.
De South Rim is een eindje rijden. We moeten opnieuw de Hoover Dam over en rijden zo Arizona binnen. In de staat van John McCain komen we onmiddellijk in een ander landschap terecht: dor, bruin, vol met stenen, uitgemergelde bergen en – voor de verandering – een verzengende hitte. We nemen de haast kaarsrechte weg naar Kingman, waar een aansluiting met Interstate 40 richting Flagstaff, het grote centrum in de buurt, voorzien is. Het werd hoog tijd dat we terug in de bewoonde wereld waren, want de brandstofmeter was ernstig gedaald. De Jeep Commander vreet werkelijk brandstof. Het bleek benzine te zijn, want het was ons tot aan onze tankbeurt niet duidelijk wat voor soort motor de paarden leverde. De dame van het tankstation ging bij de annex-garagist te rade en die gaf ons uitsluitsel. Géén diesel dus, maar de duurdere “Super 87″. Goede wagens, dat wel, maar bijzonder dorstig.
In Williams, aan de afslag voor de Grand Canyon South, stopten we even om de nood aan hamburgers te lenigen. In tegenstelling tot de voorgaande honderd mijl was het er fris, ja zelfs koud. Het landschap wisselde constant. Bovendien maakte Williams ons twee andere typisch Amerikaanse fenomenen duidelijk. In het restaurant werd het Second Amendment alle eer aangedaan toen een man bij het nuttigen van een hamburger zijn wapen op tafel legde. Angstaanjagend? Niemand die er hier van opkijkt. Williams zelf was getooid in Amerikaanse vlaggen. Het was vandaag immers Labour Day. De kameraden gaan hier niet op stap op de eerste mei, maar op de eerste maandag van september. Of er überhaupt veel kameraden zijn valt te betwijfelen, maar de noeste Amerikaan wordt toch niet vergeten: Williams is ondergedompeld in stars and stripes.
De gateway naar de South Rim bevond zich in een eerder groene omgeving en er kwam geen eind aan de bossen tot aan de rand van de canyon. Was het er niet even dor als in de canyon zelf? Blijkbaar niet en daar hadden we eerlijk gezegd geen problemen mee. De nacht aan Lake Mead was veel te warm om goed te zijn. Groener en frisser betekent ook risico op Elks. Elks worden in het Nederlands – jawel – Wapiti’s genoemd en zijn groot uitgevallen herten die soms nogal agressief uit de hoek durven te komen. Het zien er alvast lieve beestjes uit, maar we blijven op onze hoede. Het zou geen meevaller zijn mocht zo’n dier een stuk uit onze tent bijten. Het deed me denken aan Shenandoah vorig jaar, waar we moesten oppassen voor beren. Bij een ontmoeting met een beer werd ons toen aangeraden om te gillen. Zou het bij een elk ook helpen? We testten het liever niet uit. Het zou me een worst wezen: zolang ik niet door een slang of een schorpioen word bedreigd mag elk dier eventjes goeiedag komen zeggen. Of toch bijna.
Het adjectief ‘grand’ is heel zeker niet overdreven. Je staat eventjes sprakeloos. Uiteindelijk is de Grand Canyon wat je ervan verwacht, maar het blijft héél erg groot. De meanderende Colorado-river is tientallen kilometer lang met erlangs niets anders dan gigantische geërodeerde rotsmassa’s. Zover je kan kijken. No line on the horizon. Indrukwekkend.
Het Grand Canyon National Park is een goed geoliede machine. Zowat alle faciliteiten zijn er in Grand Canyon Village beschikbaar: een general store, lodges, hotels, restaurants, een visitors center en zelfs een heus vliegveld. Je wordt gratis – i.e. na het betalen van de verplichte entrance fee bij het binnenkomen van het Nationale Park – met bussen van de ene naar de andere kant van het te bezoeken gedeelte gebracht. Het verloopt allemaal heel efficiënt. We worden van panorama naar panorama gevoerd. In het visitors center, die andere obligate stop, informeren we naar een interessante hike die we de dag nadien zouden kunnen doen. Lange afstanden worden ons afgeraden, maar de anderhalf uur durende tocht naar Cedar Ridge op de South Kaibab Trail lijkt binnen onze mogelijkheden te liggen. Maar dat is voor morgen.
Ons kookavontuur op de camping liep andermaal slecht af. In Lake Mead konden we ons gasvuurtje niet opstarten. Hier bleek het onmogelijk om de barbecue op temperatuur te brengen. Géén uitgebreide maaltijd. Géén warm water voor een tas thee. Ontbering was ons deel. We gaven er niet om, want op die manier maakten we opnieuw ruimte voor de hamburgers van morgen, want die gingen er zeker weer aankomen.
Tags: arizona, cedar ridge, erosie, flagstaff, grand canyon national park, grand canyon village, kameraden, kingman, labour day, lake mead, nevada, north rim, skywalk, south kaibab trail, south rim, williams









Leave your response!