Peru 2007 // Posted on 22 April 2007 by Peter Aspeslagh
We keken uit naar onze Peruviaanse zondag. Niet om de kathedraal van Cusco te vullen (wat überhaupt niet meer nodig is, confer supra), maar om een bezoekje te brengen aan het marktje van Chincero. Het dorp ligt op een uurtje rijden van Cusco, op de weg naar Urubamba en Ollantaytambo.
We hebben een zwak gekregen voor marktjes. In Abancay passeerden we vanuit het busje een kleine overdekte markt, maar wegens te gevaarlijk op straat zijn we er toen niet geraakt. In het artikel over ons bezoek aan Cusco had ik het al over de dagelijkse markt die een enorme indruk op ons naliet. In Chinchero hielden we halt bij een “Indiaanse” markt.
Het was net als op foto’s in reisgidsen: een typisch Indiaanse bevolking met bijhorende veelkleurige poncho’s. Je voelt je er natuurlijk niet altijd even makkelijk bij. Deze mensen hebben nauwelijks genoeg geld om te eten. Ze doen alles om toch maar enkele soles bij te verdienen. Poseren op foto’s van rijke toeristen is daar één van. Alle mogelijke Inca-snuisterijen werden er te koop aangeboden: beeldjes, stoffen, hoeden, tassen tot zelfs pollepels werden ten berde gebracht.
We konden natuurlijk niet weerstaan en keerden met enkele artikelen terug naar de bus. Alles was er naar Belgische normen spotgoedkoop, maar het is er toch de gewoonte om nog verder af te dingen. Als iets bijvoorbeeld 35 soles (350 BEF/8,25 euro) kost, dan stelden we 30 soles voor. Meestal gaat men dan akkoord om het ding voor 32 soles te verkopen. Ook bij het nemen van een taxi is afdingen een gangbare praktijk.
Het marktje was voor ons een voltreffer. Isabelle vroeg om er nog wat langer te blijven, maar onze agenda was te druk bezet om er nog langer rond te hangen. Nog iets merkwaardigs: in de openbare toiletten van Chinchero krijg je een betalingsbewijs voor de betaalde 1 sol (0,25 euro). Het is in Peru overigens gebruikelijk om voor elke betaling, hoe klein ook, een bewijs te houden.
Iets verderop hielden we halt bij een zoutmijn. Als sinds de tijd van de Inca’s wordt zout gewonnen uit het water van een bron uit het Andesgebergte. Via een ingenieus netwerk van kanaaltjes haalt men in honderden kleine ‘baden’ zout uit het water. Die worden op coöperatieve basis door de verschillende aandeelhouders onderhouden en ten gelde gebracht. Het was er snikheet en moeilijk om tussen de verschillende compartimenten te wandelen. Het scheelde niet veel of sommigen onder ons hadden een zoutbad genomen.
In Urubamba zoeken we naar een geschikt restaurant voor een korte maaltijd. Marc wou, zoals steeds, het zekere voor het onzekere nemen. Aan een grote weg hadden we de keuze uit een aantal restaurants. Men ziet er dat een bus toeristen in aantocht is en doet verwoede pogingen om ons binnen te halen. Tevergeefs, want als iemand je voor 20 soles een uitgebreide maaltijd drank incluis aanbiedt, dan weet je dat iets niet pluis is. Next. Uiteindelijk belandden we in een ‘uitgebreid typisch Peruviaans buffet’. De copieuze maaltijd laat echter sporen na: de dagen nadien zijn we er met enkelen niet goed van. Ondanks een weloverwogen keuze houdt Peruviaans restaurantbezoek risico’s in…
Na de middag zetten we koers naar Ollantaytambo, het dorpje waar we de dag voordien de trein richting Machu Picchu hadden genomen. Ollantaytambo is een origineel Incadorp waar de mensen nog leven zoals vroeger. OK, niet overal, want ook hier hebben internet en consoorten hun intrede gedaan, maar toch: veel huishoudens zijn naar Europese maatstaven primitief, maar authentiek. Zo kloppen we aan bij een oud vrouwtje. Ze woont ietwat verscholen van een klein straatje in een klein kamertje. We zien er enkele kasten en een bed staan, evenals potten en pannen én de alomtegenwoordige… juist, cavia’s. De cuy, zoals ze en castellano heten, lopen er vrij rond. De vrouw is heel gastvrij en toont ons wat graag haar equipage. Voor zover we uit haar betoog konden opmaken – ze sprak half Spaans, half Quechua, de taal van de Inca’s – was ze eigenares van het bescheiden pand en was daar heel blij om. Het bezit van een huis – ‘comfortabel’ in vergelijking met sommige op het platteland en in de krottenwijken – was voor haar heel belangrijk. We weten niet of ze er alleen woonde of met kinderen of man. De bovenverdieping van het huis stond alvast leeg en het aantal bedden was beperkt, dus nemen we aan dat ze alleenstaande was. Ze leefde helemaal in de Incagemeenschap en had weinig weet van de buitenwereld. Toen we vertelden dat we uit België, Europa kwamen, reageerde ze niet. Ook haar leeftijd wist ze niet precies te vertellen. Ze zei dat ze 50 was, maar was alvast veel ouder. Waarschijnlijk wist ze het zelf niet eens. Waardoor we meteen twijfelden of ze überhaupt in de bevolkingsregisters was ingeschreven, hoewel haar eigendomstitel wel enige officiële registratie doet vermoeden. Wellicht komen duizenden Peruvianen uit kleine dorpjes niet in de officiële registers voor…
Ollantaytambo was niet echt een bewoond Bokrijk, maar het had er bij momenten wel alle schijn van. Een gezellig volksfeestje op het marktje bracht toch wat leven in de brouwerij. Blijkbaar was er een zangwedstrijd voor kinderen bezig. Op de voorgrond zaten vrouwen letterlijk garen te spinnen.
We beëindigden de dag met een soepje en spelletje presidenten in ons knusse hotelletje in Cusco.