Cultuur // Posted on 20 September 2006 by Peter Aspeslagh
Just can’t get enough, de titel enkele posts geleden, is wat mij betreft ook van toepassing op Parijs. Al vanaf mijn eerste bezoek als klein manneke van 11 jaar (1990) maakte de stad op mij een ongelooflijke indruk. Het was toen een rush van vijf dagen doorheen de Franse hoofdstad. Mijn kleine beentjes brachten me naar alle grote toeristische trekpleisters: de Champs-Elysées, de Eiffeltoren, de Arc de Triomphe, de Notre-Dame, het Centre Pompidou, La Défense, de Sacré-Coeur, Trocadéro, het Louvre, Place Vendôme, etc., zonder natuurlijk het obligate Versailles en Fontainebleau te vergeten. Getuigen vertellen me steeds dat ik ‘s avonds in mijn bed kroop om er ‘s morgens in exact dezelfde houding wakker te worden: moe, maar voldaan! Sinds de hogesnelheidstrein Brussel met Parijs verbindt en de prijzen enigszins democratisch te noemen zijn, is een bezoek aan de lichtstad een sinecure geworden. Ik maak er dan ook met graagte gebruik van.
Quatorze Juillet
Zo had ik de gelegenheid om in 2002 tijdens de Quatorze Juillet de fameuze parade bij te wonen. Jacques Chirac wuifde ons toen vanuit zijn cabrio toe. Later bleek dat hij een kilometer eerder aan een moordaanslag was ontsnapt, maar het kon de pret niet drukken. Vive la France, Vive le Président et Vive la République! Het was eens wat anders dan een traditioneel Eiffeltoren-bezoek.
Parijs moet je op zo’n momenten ‘voelen’… Ook deze keer was dat het geval, want we waren blijkbaar op het juiste moment gekomen. Raymond Domenech was erin geslaagd om, tegen alle verwachtingen in, de Franse nationale ploeg naar de finale van het WK voetbal te loodsen. We gingen de wedstrijd tijdens ons verblijf in Parijs kunnen meemaken. Dat beloofde…
Tegenwoordig wijken we van de platgetreden paden af. Geen Eiffeltoren meer voor mij, geen Notre Dame noch Arc de Triomphe… Adieu wachtrijen met busjes Japanners, wij gaan op zoek naar het minder bekende, maar misschien wel interessantere Parijs. Met andere woorden: op naar de left overs van vorige reizen. Wat we toen niet konden bezoeken, daar gaan we nu naar toe.
Shakespeare
En er is nog heel wat te zien. Neem nu de regio rond het Ile St.-Louis. Aan de oevers van de Rive Gauche zag een Amerikaan enkele decennia geleden het licht en begon er gedurfd een Engelstalige boekhandel, Shakespeare and company.
Al is dat niet de juiste omschrijving, want het is eerder boekhandel annex bibliotheek annex leesparadijs. Tussen de tot aan de nok gevulde boekenrekken staan bedden waarop je kan zitten om rustig een boekje te lezen, voor zover je plaats nog niet door een plaatselijke kat werd ingenomen. De boeken op de bovenste verdieping zijn trouwens niet te koop, enkel te lees. In een zijkamertje zat een Parijs’ leesgenootschap te discussiëren.
Schuin tegenover Shakespeare and co stappen we naar het Ile St.-Louis. Het “andere” eiland in de Seine, naast het veel bekendere Ile de la Cité (met de Notre Dame), is anoniemer, rustiger, maar toch niet saai. Er is één centrale straat, waar je allerlei leuke bakkerijtjes en slagerijtjes kan vinden, maar vooral toch winkels waar men ijscrème verkoopt. Eén constante: de prijs. Voor minder dan vier euro kan je géén cornet met slechts 1 bol oplikken. Je moet het er voor over hebben, want in metropolen moet je voor zowat alles diep in je geldbeugel tasten.
À part d’une exposition
Je kan je portefeuille alvast evenveel pijn doen in de tea-room bovenop het Institut du Monde Arabe. Enkele tientallen jaren geleden heeft men in Parijs, als eerbetoon aan de Arabische wereld, een cultureel centrum aan deze beschaving gewijd. Het huisvest enkele bibliotheken en is ook de locatie voor tentoonstellingen, optredens en andere culturele manifestaties. Jammer genoeg kunnen we dat als ordinaire bezoeker niet echt merken. Je mag eventjes door het gebouw lopen en op het dak genieten van het voortreffelijke uitzicht, maar daarmee is zowat alles gezegd. “À part d’une exposition, tout est accessible gratuitement”, luidde het. Waarvoor die ‘tout’ stond is ons nooit duidelijk geworden. Werk aan de winkel dus.
De métropolitain maakt alles makkelijk. In luttele ogenblikken ben je van aan de Seine in Montmartre. Het voormalige dorpje heeft wel meer te bieden dan een aartslelijke basiliek en een gehypet pleintje. Montmartre is vooral bekend geworden door haar kunstenaarskolonie. In de Lapin Agile kwamen rond de vorige eeuwwisseling veel Europese kunstenaars en intellectuelen over de vloer. Ondertussen zagen we op onze weg een standbeeld van Dalida.
De betreurde zangeres had er een huis en verbleef hier vaak. Ook het bewegende beeld legde het dorpje vast. Zo teert de kruidenierszaak Au marché de la Butte (zie foto) nog altijd op het overweldigende succes van Amélie Poulain. Daar hoef je zelfs de film niet voor gezien te hebben. In een tijd dat een derde van de huwelijken stukloopt zal er ééntje altijd blijven bestaan: het echtpaar kunst-commercie. Au Marché… is daar dan ook een goed voorbeeld van. Noterenswaardig is ook de wijgaard die Montmartre rijk is. Het Place du Tertre lieten we wijslijk links liggen.
Slabbinck
Dat je je in een grootstad aan alles kan verwachten bewijst deze foto. Proffen en advocaten moeten hun toga toch ergens vandaan halen.
Misschien wel uit Parijs. Anyway, het doet mij denken aan de firma Slabbinck uit Brugge, al gaat het daar om outfits van een andere orde…
Naast Montmartre is Parijs ook op een aantal andere dorpjes gebouwd. Enkele honderden jaren geleden was Belleville, ten noorden van Père Lachaise, nog een rustig dorpje aan de rand van de stad. Parijs reikte toen nog lang niet tot aan de Boulevard Périphérique en die ruimte werd opgevuld door een aantal lieflijke nederzettingen. Naast haar uitgesproken dorpse karakter heeft Belleville, dat nu natuurlijk wel door Parijs is opgeslorpt, ook een kosmopolitisch karakter.
Om de haverklap zie je er Joodse én Arabische winkeltjes. Het ging zelfs zover dat we een al dan niet orthodoxe Jood rustig zagen keuvelen met enkele Arabieren op een verregend terrasje voor een Tunesisch café. De brandhaard van het Midden-Oosten was plots wel heel erg ver weg. In Belleville kan het.
Dauphin
Op een half uurtje metro van het centrum van Parijs kom je aan in Saint-Denis. Het stadje is niet alleen bekend om haar Stade de France, maar ook en vooral om haar kathedraal. Het is immers het mausoleum van de verschillende Franse vorstenhuizen. Niemand minder dan Louis XIV – dé Louis XIV – zou hier in de catacomben zijn begraven. Ik vrees dat het in bits ‘n pieces is, want op de ene plaats zagen we z’n hart en wat verder de overige delen van wat ooit de Zonnekoning moet zijn geweest. Het hart van de Dauphin – de zoon van Louis XVI, die tijdens de Revolutie samen met vrouwlief Marie-Antoinette het hoofd verloor – is dan weer wel authentiek. Onderzoek door Jean-Jacques Cassiman, de
bekende geneticus van de KU Leuven, toontde immers de verwantschapsbanden aan. De Dauphin – toekomstige koning Louis XVII – stief als kleine jongen van ziekte en ontbering. We zagen zijn hart. Om maar te zeggen: in het fantastische Panthéon eert men de Franse intelligentsia en politici, maar in Saint-Denis ligt een mogelijks nog indrukwekkender arsenaal aan figuren die verantwoordelijk zijn voor de Franse geschiedenis…
Over Dallas, Manhattan en La Défense
La Défense heeft mij altijd gefascineerd. Toen ik als 11-jarig manneke voor het eerst Parijs bezocht zei men dat dit het Dallas van Frankrijk was. Ik neem aan dat men toen het ‘Manhattan’ bedoelde, doch dit ter zijde. Niet de hoogbouw, maar wel de imposante Arche de la Défense maakt de zakenwijk tot wat het is. Het is opnieuw een erfenis van Parijs’ Grote Bouwmeester, voormalig president François Mitterrand. Opnieuw, want Parijs staat vol van zijn architecturale exploten: de pyramide van het Louvre, de Opéra de la Bastille, de naar hemzelf genoemde
Très Grande Bibliothèque etc. Na zeven bezoeken aan de stad werd het dan ook eens tijd om op de Grand Arche te klimmen. Dit was één van mijn favoriete left overs.
Klimmen is veel gezegd, want voor een luttele acht euro werden we met de lift naar boven gebracht. Op meer dan honderd meter hoogte heeft men er alle faciliteiten: vergaderzalen, tentoonstellingsruimten, een restaurant etc. Een ideale plaats voor een huwelijksreceptie, zeg maar… We waren echter niet voor all this shit gekomen, om eens de woorden van een Amerikaans president te nuttigen. Nee, het panorama vanop de Grande Arche is subliem. Je kan er vanuit de westelijke hoek gans de stad zien. Pas dan realiseer je je hoe groot Parijs wel is én hoe klein de Eiffeltoren als
je er ver vandaan staat. Mooi is ook de as La Défense-Avenue de la Grande Armée-Arc de Triomphe-Avenue des Champs-Elysées-Place de la Concorde-Tuileries-Louvre. Jammer dat de lens van mijn krakkemikkige Sony niet krachtig genoeg was om het ganse traject in één beeld samen te vatten.
De Grand Arche is een must see en niet het zoveelste debiele panorama op de stad. Bovendien is het gehalte aan Japanse toeristen er relatief gering. Toch loopt niet alles van een leien dakje, want de constructie heeft blijkbaar al veel weer en wind moeten doorstaan. De bouwmaterialen zijn op heel wat plaatsen serieus aangetast, terwijl ook onkruid er welig tiert. Op meer dan 100 meter boven de begane grond…
Bush senior
Deze opmerking brengt ons onmiddellijk naar een andere bezienswaardigheid, met name de Opéra de la Bastille. Zoals gezegd was het één van Mitterrand’s meesterwerken. Op 14 juli 1989, tweehonderd jaar na datum, werd de val van de Bastille in het spiksplinternieuwe gebouw nagespeeld en dat in aanwezigheid van tal van groten der aarde, zoals Bush senior, toen kersvers Amerikaans president. Een G7-vergadering viel toevallig samen met de herdenkingen. Jammer genoeg heeft dit gebouw veel van haar glans verloren. Vooral letterlijk, want deze foto toont dat de constructie op heel wat plaatsen aan het verkommeren is. Er is al sprake geweest van er met de sloophamer doorheen te gaan, maar de Parijzenaars hebben dat nog niet over hun hart gekregen. Er zal toch iets mee moeten gebeuren, want de staat waarin de Opéra zich nu bevindt is erbarmelijk.
De streek rond het Place de la Bastille probeert men tegenwoordig wat aangenamer te maken, maar toch vind ik het een van de minder gezellige buurten van de stad. Aan het Canal Saint-Martin wil men leven in de brouwerij brengen door watersportfaciliteiten aan te bieden. Aan de over van het kanaal en op een oude spoorwegberm legde men pittoreske tuinen aan, maar het komt allemaal wat geforceerd over. De buurt heeft geen karakter zoals dat in Belleville of Montmartre wél het geval is.
Kop op, Zidane…
We konden op geen beter moment in Parijs zijn geweest. We vertelden al dat de Fransen op de avond van 8 juli tegen de Italianen de finale van het WK voetbal speelden. Rond de klok van achten waren de straten leeg en zaten alle Parijzenaars op café of achter hun TV-toestel. Echt allemaal. Het was net alsof men met een grote bezem door de stad was getrokken. Mijn metgezellen zijn slechts koele minnaars van het balspel en dus hebben we op dat moment één grote inspectieronde door de stad ondernomen. Het traject Opéra Garnier-Place Vendôme-Rue de Rivoli-Place de la Concorde-Tuileries-Rue de Richelieu leek uitgestorven. Met de regelmaat van de klok hoorden we vanuit de plaatselijke drankgelegenheden dierlijke kreten opstijgen. Net toen we ons zelf in een café voor het TV-scherm wilden postioneren gebeurde het onvermijdelijke: de strafschoppen. Met het bekende resultaat. De Fransen dropen ontgoocheld af.
Verloren of niet, ‘s anderendaags stond een meute (voetbal)gekken Zidane en co op het Place de la Concorde op te wachten. Als nieuwsgierige Belgjes zijn we ook een kijkje gaan nemen op die bewuste day after. En ja, met de God op kop kwamen ze één na één op een balkon hun opwachting maken. Veel hield het niet in, maar we waren er toch maar weer bij. Iets later waren we zelfs van dichtbij getuige van enkele uitzinnige fans die de BMW van Wiltord en Viera ei zo na kaapten, nét toen laatstgenoemden op weg waren naar het Elysée om er ontvangen te worden door president Chirac. “Zis arre Viltord et Viera, two playeeurs of ze French national team. Zey go to ze Elysée, zey are going to be greeted by ze prezident Jacques Chirac”, wist een vriendelijke Fransman ons te vertellen, al moge dit duidelijk zijn…
Zo zie je maar: Parijs heeft meer te bieden dan de ordinaire trekpleisters. Wijk eens van de platgetreden paden af en je ziet een totaal ander beeld van de stad. Zo leer je telkens iets meer bij. Ik heb alvast nog veel left overs voor een volgend bezoek…