Buitenland // Posted on 24 June 2009 by Peter Aspeslagh
Toen Alexander Dubcek en de zijnen zich in de lente van 1968 verzetten tegen de Sovjet-overheersing in Tsjechoslovakije was er in het Westen een sprankeltje hoop dat het IJzeren Gordijn wel eens zou kunnen wankelen. Zijn socialisme met een menselijk gelaat kon voor een kentering zorgen. Een milde vorm van liberalisering – Dubcek wist ook wel dat je niet te snel kon gaan met dat soort dingen – kon misschien een mental switch forceren, maar het was er nog te vroeg voor. Op 20 augustus greep het Warschaupact in en stond Breznjev aan de deur. De speeltijd was over. Dubcek’s ideeën moesten voor twintig jaar de ijskast in. Hij heeft het in 1989 gelukkig nog kunnen meemaken. Mocht hij in 1992 niet zijn verongelukt, dan was Dubcek vandaag misschien wel de Nelson Mandela van het Oostblok.
Ik krijg dezer dagen precies hetzelfde gevoel als ik naar de gebeurtenissen in Iran kijk. Overal voel je de heimelijke hoop en verwachting dat het Islamitische regime zal vallen of minstens toegevingen zal doen aan de gematigden. Door hun geheimdoenerij, door het in de kiem proberen te smoren van elke vorm van kritiek op het regime geven Ahmadinejad en de zijnen resoluut de indruk dat er tijdens de verkiezingen één en ander niet koosjer is verlopen. Het protest blijft aanhouden en er zijn ondertussen al heel wat slachtoffers te betreuren. De ayatollahs zijn alvast niet bereid om een duimbreed toe te geven en hebben een hertelling al uitgesloten. Opposant Moussavi, wiens hervormingsgezindheid bijlange niet zo ver gaat als Dubcek’s pogingen, probeert zijn slag thuis te halen, maar aarzelt om de menigte in een bloedig en openlijk conflict te jagen. Dat Moussavi’s profiel geen grote vooruitgang ten opzichte van Ahmadinejad zou betekenen doet op dit moment voor de internationale gemeenschap weinig ter zake. De vijand van mijn vijand is mijn vriend.
Het is fascinerend om te zien hoe het buitenland – en zeker zij die Iran ooit als schurkenstaat hebben gestigmatiseerd – van het momentum wil profiteren om de internationale aandacht op de strubbelingen levendig te houden. Het hoeft geen betoog dat de (nieuwe) media hierin een centrale rol spelen. CNN wijdt nu al dagen aan een stuk haar homepage aan Iran en drijft het vaak nog op de spits door er een geel-zwarte “Developing Story”-boodschap aan toe te voegen. Het is alsof men met de moed der wanhoop een interne revolte op de been wil brengen. Wishful thinking? Wellicht, maar het zou ongelooflijk interessant zijn mocht deze polemiek de komende maanden aanhouden en het regime tot serieuze concessies dwingen. Al is ook hier waakzaamheid geboden. In Tel Aviv zal men niet happig zijn op een robbertje vechten.
Wij kunnen ook zelf ons steentje bijdragen. De social media doen er alles aan om zichzelf tot een volwaardige speler in dit gebeuren te promoveren. Facebook is sinds héél recent ook in het Farsi beschikbaar en YouTube trekt op haar homepage de aandacht naar video’s over Iran. Ook Twitter schakelt in een hogere versnelling. Er zijn niet enkel de Iran-kanalen, maar er wordt – via Facebook – aan de Twitter-gebruikers gevraagd om hun pc volgens de Iraanse tijdzone in te stellen. De geheime diensten proberen – zo luidt het verhaal – op basis van die tijdzone dissidenten die met Twitter hun boodschap willen verspreiden te traceren. Hoe meer mensen hun PC volgens die tijdzone hebben geprogrammeerd, hoe moeilijker het voor de repressie is om de online vrijheidsstrijders te vinden. Het internet én de social media als behoeder van de democratie. Schitterend.
Ondertussen is Neda, het meisje dat tijdens de protesten werd gedood, tot een ware heldin uitgegroeid. De rol van YouTube en andere netwerken is hierin niet te onderschatten. Zal, als we de lijn doortrekken, Neda in Iran éénzelfde status krijgen als Jan Palach, die zichzelf in Praag als martelaar in brand stak uit protest tegen de repressie van de Sovjets? Too soon to know, too late to save her life…